Woensdag 12 Juni 2024
Datum Schriftgedeelte Titel Spreker
2024-06-09 Openbaring 7:9-17 De pelgrim onderweg naar Gods huis (2)
2024-06-09 Psalmen 84 De pelgrim onderweg naar Gods huis (1)
2024-06-09 Genesis 28:10-22 Bethel een huis van God voor Jacob (2) ds H. Polinder
2024-06-09 Genesis 28:10-22 Bethel een huis van God voor Jacob (1) ds H. Polinder
2024-06-02 Genesis 28:1-15 De Heere spreekt tot Jacob in Bethel ds H. Polinder
2024-05-26 Johannes 6:22-40 De vreugde van Gods hart
2024-05-26 Handelingen 3:11-26 Israëls zonde verzoend
2024-05-26 Johannes 14:15-22
Johannes 15:18-27
Johannes 16:12-15
De Geest is de Geest der waarheid
2024-05-19 Handelingen 2:22-34
Handelingen 2:36-41
1Korintiërs 2
Wie de Heilige Geest is
2024-05-19 Leviticus 23:15-22
Exodus 19:10-25
Handelingen 2:1-4
Pinksteren: het feest van de vervulling ds H. Polinder
2024-05-19 Handelingen 2:1-13
Ezechiël 47:1-12
Stromen van Zegen
2024-05-12 Galaten 5:16-26 Een echte christen? NGB artikel 29 (2)
2024-05-12 Genesis 27:1-40 Jakob wordt door Izak gezegend ds H. Polinder
2024-05-12 Johannes 14:15-31 Johannes 14:18
2024-05-12 Esther 4 Hoe verder na Hamans moordplan
2024-05-09 Psalmen 47 Christus hemelvaart
2024-05-09 Johannes 14:1-6
Hebreeën 6:9-20
De Voorloper is binnen ds H. Polinder
2024-05-09 Leviticus 9:1-4
Leviticus 9:22-24
Lukas 24:44-53
De handen van de grote Hogepriester bij Zijn hemelvaart
2024-05-05 Openbaring 2:12-17 Kerk....of geen kerk? NGB art 29
2024-05-05 Esther 2:21-3:14 Hamans moordplan

Dagelijks Woord

  • Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken. -- Jeremia 31:33-34